Het slijt

Tijdens het schrijven van mijn vorige post had ik het idee dat ik iets vergeten was. Dat was ik ook. Deels, want het hoort niet bij de olympiade, maar zat er ongeveer vijftien jaar voor.

De tijd van de spotgoedkope vliegtickets door Europa was net aangebroken. Samen met mijn beste vriend vloog ik het halve continent af, vooral veel naar Londen. Tijdens een van onze avondjes uit daar kwam ik Owen tegen. Ik werd verliefd en was steeds vaker in de Britse hoofdstad te vinden. Na een maand of zes besloten Owen en ik dat ik in Londen zou komen wonen. Daarna was misschien Owen’s thuisland Australië een optie.

Ik stopte met mijn opleiding, zegde mijn huur op en verkocht mijn huisraad. Maar toen ik met een rugzak vol kleren en toekomstplannen bij Owen voor de deur stond bleek hij ook al maanden een relatie met zijn huisgenote te hebben. Ik ben niet zo goed in delen, dus ik vertrok naar een hostel en zocht mijn eigen weg. Dat lukte vrij aardig.

Wat volgde was ongetwijfeld de meest extravagante tijd uit mijn leven. Diners van 1.000 Britse pond per persoon, champagne drinken in een openlucht bubbelbad met uitzicht op de Houses of Parliament en ritjes door NW1 achter het stuur van een appelgroene Lamborghini. Allemaal op kosten van investeringsmaatschappijen die hoogstwaarschijnlijk de financiële crisis niet overleefd hebben. Maar dat zijn verhalen voor een andere keer.

Toen ik het jaren later met een van de olympiasten over vreemdgaan had schoot Owen me ineens weer te binnen, al kon ik niet op zijn naam komen. Pas na een fietstochtje langs mijn oude huis in Londen kwam die bovendrijven. Het kan even duren, maar zelfs de grootste klootzakken en hun lepe streken vergeet ik blijkbaar. Het slijt.

Overdreven

Ik hoor je denken. “Ester, je overdrijft. ‘Een olympiade aan voortslepende ellende‘. Zo erg kan dat nooit geweest zijn.”

De eerste man waar ik ooit mee matchte op Tinder zat op een gesloten psychiatrische afdeling toen hij mij naar rechts swipete. Dat had hij er even niet bij vermeld op zijn profiel. Onze eerste date was na drie weken, toen hij koud een paar dagen uit de psychiatrische inrichting ontslagen was. Dat hij daar gezeten had vertelde hij me pas na een maand of twee, toen ik voorzichtig vragen begon te stellen bij een paar van zijn karaktertrekken die me niet helemaal gezond leken. Toen hij me vervolgens uitlegde dat hij er zes maanden inrichting op had zitten omdat hij herhaaldelijk uit pure wanhoop en frustratie zijn hoofd tot bloedens toe tegen de muur kapot geslagen had, leek het me beter er een punt achter te zetten.

Ik dacht dat het in Antwerpen beter zou gaan. Grotere stad, meer mensen, meer keuze. Ik bleef hangen aan Jan: muzikant, kunstenaar en – zo bleek later – all-round klootzak. Maandenlang struinden we samen kroegen, concertzalen en musea af. Overal kende Jan mensen, zijn Facebookprofiel was een dagboek van groepselfies. Op een dag kreeg ik een berichtje van een gezamenlijke kennis. ‘Ik zie je de laatste tijd veel op foto’s met Jan. Je weet dat hij getrouwd is, toch?’ Zijn vrouw woonde bij me om de hoek. In een huis waar ik vaak geweest was, vaak was blijven slapen ook. Nooit had ik er een spoor van een andere vrouw ontwaard, nooit had ik me afgevraagd waarom de bovenste verdieping van het huis afgesloten was. Daar moest nog verbouwd worden, had Jan gezegd.

Ik was van de hele geschiedenis met Jan een beetje achterdochtig geworden, maar het mantra van Jan’s opvolger stelde me keer op keer gerust: ‘ik wil maar één iemand en dat ben jij’. Michel was lief, grappig en we praten over alles. Hij was eerlijk en open, maakte van zijn hart geen moordkuil. Vanaf dag één waren we hele weekenden bij elkaar. Op een bloedhete zomerdag, we waren een maand of tien samen, ging Michel na een paar uur opeens terug naar huis, omdat hij zich niet lekker voelde. Het duurde even voordat ik er achter kwam dat hij mijn sleutels van zijn huis had meegenomen. Ook zijn plankje in mijn kledingkast bleek leeg. Toen ik hem belde kreeg ik geen gehoor. Op mijn berichtje antwoordde hij: ‘dit hoeft voor mij niet meer’.

Een week later kwam hij spullen terugbrengen en vroeg ik hem in totale staat van verwarring hoe hij zijn plotselinge vertrek aan andere mensen uit had gelegd. Dat had hij niet, want hij had nog tegen niemand gezegd dat we uit elkaar waren. Ook niet tegen zijn ouders, bij wie hij ondertussen al weer een avond of drie aan de eettafel had gezeten. Michel heeft me nooit uitgelegd waarom hij is weggegaan.

Overdreven allemaal he?

Kotsbeu

Een maand of twee leefde ik in de gelukzalige veronderstelling dat de dating-carroussel vol psychopaten en randdebielen eindelijk stil stond. Tussen al die saaie, domme en grotendeels compleet getikte huisvaders had ik dan toch eindelijk een kinderloze vent opgeduikeld die niet contactgestoord of door een ex-partner volledig geestelijk geruïneerd was.

Helaas. Het was toch weer een eikel.

Afwijzing is vervelend. Weer een ontbindend lijk op de begraafplaats van mijn liefdesleven moeten dumpen is niet leuk. Maar ronduit frustrerend is alle goede raad die na iedere mislukte relatie ongevraagd mijn kant op komt. Het begint altijd met ongeloof. ‘Hoe kan het nou dat JIJ nog alleen bent?’ ‘Waarom kom JIJ toch altijd alleen maar mafketels tegen?’ Dan volgt een plan van aanpak, op te delen in twee tegengestelde visies.

Kamp A vindt dat ik gewoon bot moet volhouden, me op meer dating apps moet inschrijven en nog actiever online moet gaan daten. En dan komt steevast het voorbeeld van dat bevriende stel dat elkaar leerde kennen op Tinder en inmiddels een trouwboekje, een hond en vier kinderen verder is.

Kamp B staat daar diametraal tegenover. Klaar met al die apps en websites. Ik moet meer naar buiten, me onder de mensen begeven. Ik moet bij een sportclub, op kookles, naar een fotografiecursus of een filosofieworkshop. Dit advies wordt standaard gevolgd door het verhaal van een kennis die de liefde van haar leven zomaar toevallig tegenkwam bij de fietsenstalling. Of in de bibliotheek. Bij een concert. In de trein. Allemaal plekken waar ik bovengemiddeld vaak kom, maar als ik daar eens in het wild een leuke vent aanspreek staat ie me aan te kijken alsof ik net op zijn schoenen heb zitten kakken. Een Amsterdammer die ik ooit in de kroeg aansprak had het mooiste antwoord: ‘Kun je me vinden en liken op Tinder? Dan chatten we daar verder.’

Ik hou niet van goede voornemens, maar ga met enige vertraging dan toch maar een uitdaging aan voor 2020. Een jaar zonder online daten. Want ik denk dat ik na een olympiade aan voortslepende ellende voorzichtig tot de conclusie mag komen dat daar voor mij de oplossing niet ligt. Daarnaast ben ik de lopende band aan gekkies die online voorbijkomt kotsbeu. Van iemand die je in levenden lijve tegenkomt weet je bovendien gelijk hoe hij er echt uit ziet, in plaats van tien jaar geleden, toen hij nog niet grijs of kaal was en nog een six pack had.

En omdat jullie het blijkbaar allemaal zo goed weten: vertel me maar welke cursus ik moet gaan doen waar alle mentaal gezonde alleenstaande kinderloze mannen van rond de 40 uithangen. Ik ga wel.

Ik hoor van jullie.

Design a site like this with WordPress.com
Get started