Famous vegetarians and their favorite recipes

Found this (obviously American) book at the house I’m currently staying at.

Hitler is not in it, I would say he is pretty (in)famous. I figured the Singer on the cover would be Peter, but turned out to be Isaac, a writer I had never heard of, but the dude won a Nobel prize, so I’m sure he’s highly regarded and read by many. Or at least bought by many, ha ha.

Lol

Vies

‘Er werkt hier iemand met precies dezelfde tatoeage!’ zei mijn collega verheugd. Hij zat naast me aan mijn bureau en zat middenin een uitleg over het redactiesysteem. Ik liet mijn artikel even voor wat het was. Tussen het invullen van de metadata door kwam zijn opmerking nogal uit de lucht vallen.
‘Huh. Welke?’ Ik keek een beetje verdwaasd van mijn ene naar mijn andere onderarm. Ik heb op de rechter een lotus staan, wat natuurlijk niet uitblinkt in originaliteit, dus daar gokte ik op. ‘Deze?’ Ik tilde de betreffende arm een stukje op.
‘Neenee, die andere!’, zei de collega, wijzend naar mijn linkerarm. Daar staat een vrij bekende quote uit een aardig gekend boek van een best wel beroemde Amerikaanse schrijver.

‘Echt?!’ riep ik uit. ‘Superleuk!’ Ik dacht een geestverwant gevonden te hebben. Iemand op wie dat boek ook zo bizar veel indruk had gemaakt dat ze de sleutelzin ervan voor de rest van haar leven met zich mee wenste te dragen. Er dagelijks aan herinnerd te worden, onbewust een paar keer per dag bij stil te staan. De persoon in kwestie bleek daar een beetje anders over te denken toen ze even later aan mijn bureau stond. ‘Laat eens zien!’ moedigde mijn collega ons aan.

We staken allebei onze onderarm uit, ik ferm en kwiek, zij aarzelend en met tegenzin. In de halve seconde die haar tatoeage zichtbaar was zag ik dat die een ander lettertype had dan de mijne, groter was en op een iets andere plaats stond, maar het was onmiskenbaar dezelfde zin. Allebei op onze linkerarm. Ik was verheugd. ‘Wat cool!’ onderstreepte ik mijn enthousiasme ook nog maar eens verbaal. Het voelde bijzonder om tegenover iemand te staan die ooit dezelfde beslissing had genomen als ik. Die zin, op die plaats, voor altijd. De andere partij keek me aan met een blik waar ik zowel afgrijzen als verbijstering in dacht te herkennen.
‘En, wat vind jij ervan?’ keek mijn collega haar, duidelijk geamuseerd, aan.
‘Oh, ik vind dit best wel vies’, stamelde ze.

Nu weet ik dat ‘vies’ in het Vlaams iets anders betekent dan in het Nederlands, maar in deze context was het me niet helemaal duidelijk wat mijn tattoo-verwant precies wilde uitdrukken. Vond ze het vreemd? Werd ze er chagrijnig van? Vond ze mijn uitvoering lelijk? Werd ze er onpasselijk van? Ik kon niet zo snel een betekenis vinden die ook maar vagelijk aansloot bij mijn enthousiasme, wat ik verwarrend vond. Hoe kon iemand dit niet leuk vinden, iemand ontmoeten die een gedeelde interesse op bijna identieke, vrij extreme wijze, aan de buitenwereld laat zien? Het zal voorlopig een raadsel blijven, want na deze uitspraak maakte ze zich vrij snel uit de voeten. Ik had gehoopt op een diepgravend gesprek over het boek, maar dat kwam er helaas niet.
So it goes.

Bizarre Tinder conversations #391

(2017, I think)

Me: ‘Hi, nice to meet you! Just to make sure: I really don’t want to date someone who has kids. I’ve learned guys tend to lie about that quite often, so just so we’re on the same page here, I’m going to ask if you have kids. Cause I’m really not interested in dating someone with kids.’

Guy: ‘No kids!’

Me: ‘Okay. Nice house in the fourth picture. Yours?’

Guy: ‘Yes, that’s my house.’

Me: ‘Why is there a crib in the background?’

Guy (after a long silence): ‘Oh no, that’s not my house. It’s my sister’s house!’

Me: ‘Okay. Why did you just say it was your house?’

Guy: ‘I was talking about the other picture.’

Me: ‘There is only one picture of you in a house.’

Guy: ‘Why do you hate kids? You’re fucked up!’

Me: *unmatch*

Tinder all over again

Laat ik beginnen met een teleurstelling voor de lezers op zoek naar leedvermaak: ik zit niet op Tinder. Ik blijf bij mijn eerdere overtuiging dat online daten niet voor mij is. Al gaat mijn plan om dan maar in het echte leven naar iemand op zoek te gaan ook mank nu we massaal maandenlang opgehokt zitten.

Toch doen deze tijden me wel denken aan toen ik nog op Tinder zat. Met name het verdwijnen van hele reeksen vrije avonden, waarbij ik mezelf terwijl ik in bed kroop afvroeg: ‘wat heb ik nou eigenlijk de hele avond gedaan?’.
Het antwoord was dan vaak dat ik met een Tindermatch had zitten chatten. Mijn hele avond vergooid met vragen beantwoorden die ik al tweehonderd keer eerder beantwoord had. Aan iemand die waarschijnlijk stiekem toch kinderen had, of een vrouw. Of tijd wilde doden terwijl hij op een betere match zat te wachten. Verspilde moeite.

Toen ik mijn Tinderprofiel in een van de zwarte gaten van het internet liet verdwijnen had ik opeens zeeën van tijd over. Watermassa’s die ik de afgelopen weken rap zag opdrogen, omdat ik weer eens een hele avond berichtjes had zitten tikken op mijn mobiele telefoon.

Ik begrijp dat vrienden elkaar in deze lastige tijden wat meer nodig hebben, en dat vanwege de isolatie dit allemaal online moet. Maar ik was ineens op zes verschillende platformen gesprekken aan het voeren met mensen waarvan het me eigenlijk helemaal niet interesseerde wat voor impact de corona-isolatie op hen had. En waarvan ik me al helemaal niet kon voorstellen dat het hen erg veel kon schelen hoe de vlag er bij mij bij hangt. Vriendschap is er niet alleen voor in tijden van corona, als we echt zulke dikke matties waren was ons laatste contact niet van 26 mei 2018 geweest.

Erger nog dan verspilde avonden was dat ik door al deze aandachtvragende vervelers zo’n afkeer kreeg van mijn telefoon dat ik ook lastig bereikbaar werd voor mensen die er wel toe doen. Daarom is het tijd voor een drastische maatregel.

Wie echt wil praten: bel me. Op mijn Belgische nummer, dat geen whatsapp-account heeft. Mijn 04 heeft bijna niemand, zeker de mensen die me proberen te recruteren voor hersenloos tijdverdrijf niet. Die moet ik namelijk opvallend vaak uitleggen dat ik al weer een jaar of drie in Antwerpen woon. Zo close ben ik met het publiek dat het in tijden van massale volksverveling opeens nodig vindt om de vriendschapsbanden met mij aan te halen. Zoek een hobby, mensen. Komt ook van pas als je ooit nog eens met Tinder stopt of je relatie uit gaat.

Het huis (1)

‘Laat me erin.’
Er wordt op de deur geklopt.

Het is avond en het stormt al de hele dag, of misschien al wel twee of drie dagen. Het gebrek aan een reden om op te staan – of te gaan slapen – zorgt ervoor dat mijn dagen in elkaar over lopen. Ik weet niet meer precies hoe lang ik hier al ben. Het was een bloedhete zomerdag toen ik de auto de lange oprit naar de blokhut op draaide, ondertussen zijn de bomen in het bos naast het huis langzaam kaal aan het worden.

Toen het onderzoek naar de mysterieuze verdwijning van mijn collega door de politie na een paar weken op een laag pitje werd gezet was ik vrij om te vertrekken. Misschien hebben ze zijn lijk inmiddels gevonden.

‘Help me.’
Vanachter de gordijnen zie ik een blonde jongen met halflang haar in het schijnsel van de buitenverlichting voor de deur zitten, steunend op een knie. Zijn bovenlichaam is ontbloot.

In het begin maakte ik me zorgen dat mijn eten op zou raken en ik het dorp in zou moeten, maar in de voorraadkast in de bijkeuken staan de ene dag zes blikken witte bonen, de volgende ochtend veertien en weer een uur later acht. Ik ben opgehouden met tellen, er zijn er altijd genoeg.

Elektriciteitsrekeningen krijg ik niet, maar de lampen doen het nog steeds. De kachel heb ik ontelbare keren bijgevuld, maar de kist met hout die er naast staat lijkt geen blok leger te worden. Ik stel me hier geen vragen meer bij.

‘s Nachts klinkt het soms alsof er aan de ruiten wordt gekrabd. Een scherp, indringend en haast ritmisch geluid, dat pas ophoudt als ik het glas aanraak op de plek waar het gekras vandaan lijkt te komen. Soms denk ik de contouren van handen op een ruit te zien, alsof iemand zich door het glas heen naar binnen probeert te duwen. Als ik vervolgens naar buiten loop om te kijken wie er is, zie ik nooit iemand.

‘Ik ben de enige die het heeft overleefd.’
De blonde jongen voor de deur zit met zijn hoofd naar de grond gericht, de handen in zijn schoot gevouwen. Ze zitten onder het bloed. Op het gras achter hem is nog net een dunne mist te ontwaren. Hij moet het koud hebben.

Dit huis is ruim dertig jaar oud. Mijn opa liet het bouwen om er van zijn pensioen te gaan genieten. Hij woonde er nog geen half jaar toen hij op een dag door de postbode dood naast de brievenbus aan het begin van de oprit gevonden werd. De schouwarts kon geen doodsoorzaak vaststellen, maar tussen zijn schouderbladen zat een handafdruk van bloed. Van wie die was is nooit achterhaald.

Ik loop naar de keuken om mijn glas whisky bij te vullen. Als ik de fles van het aanrecht wil pakken zie ik dat de achterdeur op een kier staat. Ik draai de deur op slot en vul mijn glas. Op weg terug naar de huiskamer gaat plotseling het licht uit. Het lijkt alsof de wind buiten harder gaat waaien en het huis luider gaat kraken.

Als ik schuifelend en op de tast mijn plek achter de gordijnen weer gevonden heb gaat het licht weer aan. De jongen bij deur is weg.

Hoor ik daar de achterdeur open gaan?

Gillend in bed

Ooit deelde ik een hotelkamer met een collega die midden in de nacht gillend rechtop in zijn bed zat. Ik schrok met een verlamd hart wakker, hij kon het zich de volgende ochtend niet eens herinneren. Misschien lig ik ook wel eens ‘s nachts schreeuwend in bed, alleen is er dan niemand om het me ‘s ochtends te vertellen.

‘Het lijkt me zo heerlijk om single te zijn’, hoor ik vaak, heel vaak, van mensen voor wie het zo lang geleden is dat er niemand naast hen in slaap viel, dat ze zich niet meer kunnen herinneren dat het echt niet altijd zo ontzettend leuk is.

Als het stormt en het weer zo naargeestig is dat Emile Ratelband er een dipje van zou krijgen zit ik in mijn eentje met een dekentje en een boek op de bank. Niemand om even gezellig tegenaan te kruipen, geen tweede stem in de klaagzang over de ondraaglijke guurheid van een Noord-Europese herfst. Niemand die even zegt dat het vanzelf weer voorjaar wordt. Niet alleen buiten, maar ook in mijn hoofd.

Als mijn boekenkast over me heen dondert of ik uitglij in de douche, hoe lang duurt het voordat iemand me vindt? Hoeveel ongelezen whatsapp berichten zijn er nodig voordat vrienden mijn deur openbreken?

Mijn schreeuw in de duisternis hoort niemand.

Hartzeer is geen estafettestokje

In ieder gesprek waarin ik mijn beklag doe over het gebrek aan geestelijk gezonde singles van mijn leeftijd, krijg ik vroeg of laat de volgende constatering te horen: ‘Op deze leeftijd is iedereen beschadigd.’ Hallo, dat weet ik. Ik ben niet naïef. Via Tinder ben ik de afgelopen jaren meer verscheurde zielen tegenkomen dan de gemiddelde psycholoog.

Iedereen is kapot. Dat geeft niet. Wel erg is dat veel alleenstaanden niet door hebben hoe beschadigd ze zijn. Roekeloos denderen ze op hun bulldozer door op zoek naar een relatie, een spoor van platgereden ex-partners achter zich latend. Een verse lichting gebroken zielen, die vervolgens ook nauwelijks de tijd nemen om mentaal te genezen, maar zo snel mogelijk op zoek gaan naar een volgende geliefde om in de kreukels te rijden.

Hartzeer is geen estafettestokje om aan elkaar door te geven. Een nieuwe relatie begin je niet om je emotionele ruïnes te stutten, het is geen sleutel om de kast waar alle lijken in liggen mee op slot te draaien. Een nieuwe partner is geen spons om de zielepijn die een ex veroorzaakt heeft te absorberen, geen schutting om emotionele bagage gedachteloos overheen te pleuren.

Als alleenstaande heb je opeens veel tijd voor jezelf. Gebruik die lege momenten om je onverwerkte bullshit in de ogen te kijken in plaats van je emotionele rotzooi over een ander uit te storten. Ben je nog niet klaar voor je eigen tekortkomingen? Zoek dan een hobby of koop een hond, maar ga niet met andermans gevoelens lopen klootviolen, omdat je het mentaal niet aankunt om een paar avonden in de week alleen op de bank te zitten.

Inamorati Anonymous

Wanneer de misantroop in mij de overhand krijgt spendeer ik vooral tijd met papieren vrienden. Het jaar is nog geen maand oud, maar ik kan de boeken die ik heb uitgelezen al niet meer op twee handen tellen.

Thomas Pynchon is mijn nieuwste obsessie. Zijn boeken zitten ramvol met bizarre karakters en verhaallijnen die een verkeerde afslag nemen, maar uiteindelijk toch op dezelfde bestemming als de rest aankomen. Historische gebeurtenissen vult Pynchon naadloos aan met fictie, tot je als lezer niet meer weet wat waargebeurd is en wat niet. Het is een overweldigende ervaring zijn boeken te lezen. Hij laat zoveel informatie tussen de regels vallen dat ik Vineland voor de tweede keer aan het lezen ben en nog steeds niet helemaal het idee heb dat ik het begrijp.

In The Crying of Lot 49 van Pynchon komt de vrouwelijke hoofdpersoon midden in de nacht in een homobar in San Fransisco een naamloze man tegen met opvallend grote oren, zijn blik op oneindig en een gezicht vol acne. Hij vertelt haar dat hij lid is van een gezelschap dat mensen helpt ‘the worst addiction of all’ te weerstaan en te overwinnen. ‘The whole idea is to get where you don’t need it.’

Hij is lid van de Inamorati Anonymous, een hulplijn om van je verliefdheid af te komen. Als je belt sturen ze iemand langs die net zo lang bij je blijft tot de verliefdheid uit je hoofd gepraat is en je weer bij zinnen bent. Er zijn geen praatgroepen en nooit komt twee keer dezelfde persoon langs, om te voorkomen dat er iemand in katzwijm valt.

Een soort AA, maar dan voor mensen die verliefd zijn. Pynchon moffelt het weg in een verhaallijn die de weg kwijt raakt, maar wat een fantastisch idee. Ik wil ook bij de Inamorati Anonymous. Waar meld ik me aan?

Vijgen na Pasen

Ja, ik moest ook even opzoeken wat dat betekent. Het is een Vlaams gezegde en de eerste zin van de brief die ik een paar dagen geleden van mijn ex kreeg. Twee handgeschreven A4tjes vol laffe excuses, persoonlijk in mijn brievenbus gedropt. Zonder doorhalingen of andere correcties, dus Piet weet hoe lang ie er over gedaan heeft. Het duurde in ieder geval anderhalve week voor het ding bij mij op de deurmat lag. Vijgen na Pasen.

De grootste grap uit het epistel is dat ik word bestempeld als ‘heel erg mager’. Ik ben zeker niet dik, maar ook bepaald geen anorexiaskelet. Het tekent zijn schrijnend gebrek aan realiteitszin. Nog meer handgeschreven humor: hij zinspeelt twee keer op vriendschap. Ik zei het al: volkomen wereldvreemd.

Mijn antwoord tikte al snel 1 A4tje aan, maar omdat zijn klootzakkerij geen weerwoord waard is zal die brief nooit de binnenkant van zijn brievenbus zien. Wat hij wel retour heeft gekregen zijn wat hanenpoten op de envelop waar zijn brief in zat, met mijn rekeningnummer en het bedrag dat hij me verschuldigd is voor een festivalkaartje. Het zal mij benieuwen of ik dat geld ooit terugzie. Ik reken er alvast niet op, dus mocht iemand behoefte hebben aan een weekendticket voor Grauzone, laat het me dan weten.

Design a site like this with WordPress.com
Get started