‘Laat me erin.’
Er wordt op de deur geklopt.
Het is avond en het stormt al de hele dag, of misschien al wel twee of drie dagen. Het gebrek aan een reden om op te staan – of te gaan slapen – zorgt ervoor dat mijn dagen in elkaar over lopen. Ik weet niet meer precies hoe lang ik hier al ben. Het was een bloedhete zomerdag toen ik de auto de lange oprit naar de blokhut op draaide, ondertussen zijn de bomen in het bos naast het huis langzaam kaal aan het worden.
Toen het onderzoek naar de mysterieuze verdwijning van mijn collega door de politie na een paar weken op een laag pitje werd gezet was ik vrij om te vertrekken. Misschien hebben ze zijn lijk inmiddels gevonden.
‘Help me.’
Vanachter de gordijnen zie ik een blonde jongen met halflang haar in het schijnsel van de buitenverlichting voor de deur zitten, steunend op een knie. Zijn bovenlichaam is ontbloot.
In het begin maakte ik me zorgen dat mijn eten op zou raken en ik het dorp in zou moeten, maar in de voorraadkast in de bijkeuken staan de ene dag zes blikken witte bonen, de volgende ochtend veertien en weer een uur later acht. Ik ben opgehouden met tellen, er zijn er altijd genoeg.
Elektriciteitsrekeningen krijg ik niet, maar de lampen doen het nog steeds. De kachel heb ik ontelbare keren bijgevuld, maar de kist met hout die er naast staat lijkt geen blok leger te worden. Ik stel me hier geen vragen meer bij.
‘s Nachts klinkt het soms alsof er aan de ruiten wordt gekrabd. Een scherp, indringend en haast ritmisch geluid, dat pas ophoudt als ik het glas aanraak op de plek waar het gekras vandaan lijkt te komen. Soms denk ik de contouren van handen op een ruit te zien, alsof iemand zich door het glas heen naar binnen probeert te duwen. Als ik vervolgens naar buiten loop om te kijken wie er is, zie ik nooit iemand.
‘Ik ben de enige die het heeft overleefd.’
De blonde jongen voor de deur zit met zijn hoofd naar de grond gericht, de handen in zijn schoot gevouwen. Ze zitten onder het bloed. Op het gras achter hem is nog net een dunne mist te ontwaren. Hij moet het koud hebben.
Dit huis is ruim dertig jaar oud. Mijn opa liet het bouwen om er van zijn pensioen te gaan genieten. Hij woonde er nog geen half jaar toen hij op een dag door de postbode dood naast de brievenbus aan het begin van de oprit gevonden werd. De schouwarts kon geen doodsoorzaak vaststellen, maar tussen zijn schouderbladen zat een handafdruk van bloed. Van wie die was is nooit achterhaald.
Ik loop naar de keuken om mijn glas whisky bij te vullen. Als ik de fles van het aanrecht wil pakken zie ik dat de achterdeur op een kier staat. Ik draai de deur op slot en vul mijn glas. Op weg terug naar de huiskamer gaat plotseling het licht uit. Het lijkt alsof de wind buiten harder gaat waaien en het huis luider gaat kraken.
Als ik schuifelend en op de tast mijn plek achter de gordijnen weer gevonden heb gaat het licht weer aan. De jongen bij deur is weg.
Hoor ik daar de achterdeur open gaan?